Het kot is te klein in het Vlaamse cultuurland (Johan Sanctorum)

Het kot is te klein in het Vlaamse cultuurland: een grote buikriemoperatie, getekend Jan Jambon, leidt ertoe dat de werksubsidies met 6% terugvallen, en de éénmalige projectsubsidies zelfs met 60%, namelijk van 8,47 miljoen naar 3,39 miljoen euro.

Groot gejammer. Vooral de Groenen zijn in hun wiek geschoten. Bizar, want aan de jet-set kunst van Fabre en konsoorten, die regelmatig ook nog gepaard gaat met enige dierenmishandeling, is niks ecologisch. Alleen voor de zeven erkende kunstinstellingen – onder meer de Vooruit in Gent, de Ancienne Belgique in Brussel en het Kunsthuis (Opera Vlaanderen en Ballet Vlaanderen) – wordt de afslanking beperkt tot 3 procent van het budget. Een minister-president, die er ook nog even cultuur bijneemt, vind ik bizar, en ik kan me niet herinneren dat Jan Jambon ooit blijk gaf van enige belangstelling of expertise ter zake. Toch is de bezuinigingspolitiek het gevolg van de manier hoe cultuur zich tot de Vlaamse grondstroom verhoudt: wereldvreemd en elitair.

Bloed en sperma

Fabre

Jan Fabre/Troubleyn: een van de grootste subsidieslurpers

Iedereen die mij kent weet dat ik een cultuurbeest ben. Maar meer geld voor cultuur leidt niet tot betere cultuur, dikwijls integendeel zelfs. Een klassieke slokop, Jan Fabre en zijn vzw Troubleyn, goed voor bijna één miljoen euro (!) per jaar, brengt al vanaf de jaren ’80 van vorige eeuw theater van een twijfelachtig niveau, met lachwekkende gimmicks die niemand nog choqueren, zoals zijn ‘performance’ op 13 juli 2017 in Wenen, waar hij met ezelsoren voor een verbaasd publiek een actrice in een barokke trappenzaal een tong draait. Op andere momenten is het publiek masturberen geblazen en worden er vele kilo’s bloederig slachtafval op de scène gekwakt. Wie dat, ondanks de hoogdravende begeleidende teksten, hoogstaand theater vindt, verwart kunst met de inventiviteit die in een studentendoop wordt aan de dag gelegd.

Er is geld, dus moet er iets gedaan worden, en de dag dat Fabre niks meer doet is hij zijn structurele subsidies kwijt.

Het bizarre aan deze gesubsidieerde kunst is eigenlijk dat ze haar materiële ondersteuning als basis heeft genomen van een industrie die ‘moet’ provoceren, zogezegd vernieuwen, maar eigenlijk steeds inhoudslozer wordt. Er is geld, dus moet er iets gedaan worden, en de dag dat Fabre niks meer doet is hij zijn structurele subsidies kwijt en staat al dat ondersteunend personeel op straat, dus blijven de gimmicks maar doorgaan. Speciale definitie van l’art pour l’art. Tegelijk speelt zich dat alles af voor een incrowd, een publiek dat zich kan identificeren met die dolle, zichzelf zeer ernstig nemende fratsen en een modernistisch snobisme cultiveert, onder het stilzwijgende motto ‘je moet ervoor openstaan, en dat is niet iedereen gegeven’.

Deze kunst beweegt zich ook in een internationaal uitwisselingscircuit waardoor Fabre bijna meer in Venetië zit dan in Antwerpen: zo’n subsidiekunstenaar komt automatisch in een netwerk terecht van kosmopolitisch denkende instituten waar gelijkgezinde charlatans elkaar ontmoeten en een hype creëren van ‘nieuwe, vernieuwende’ kunst, ontoegankelijk voor de gewone man en vrouw, maar dat geeft niet, integendeel: die begrijpen toch niets van kunst en vloeken bijvoorbeeld ook op de fluo blokken (Rock Strangers) van Arne Quinze die de Oostendse zeedijk permanent ontsieren. Het stadsbestuur heeft er veel voor betaald, dus blijven ze staan, in de veronderstelling dat gewenning tot liefde leidt. Helaas, de Oostendenaar ervaart het als een kankerplek.

Horen zien en zwijgen

Oostendenaar

Er is dus een probleem in de relatie tussen de artistieke entrepreneurs genre Fabre en Quinze, en de ogen waarmee het publiek kijkt. Dat Fabre zich veel permitteert en danseressen langs zijn bedstede moeten passeren om een fatsoenlijke rol te krijgen, levert wel even wat gemor op, maar de hoofdtoon is uiteindelijk dat zo’n exuberante artiest veel moet vergeven worden en dat men geen omelet kan bakken zonder eieren te breken. Bij deze.

Feit blijft dat heel die bedoening om zichzelf draait, en als Narcistische clownerie nauwelijks een publiek draagvlak heeft. En daar nog prat op gaat ook. Wel is er veel positieve respons in de media: cultuurrecensenten scharen zich graag aan de kant van de elite die het allemaal begrijpt en waardeert, er moet nu eenmaal een verschil zijn.

Radio Klara is dé cultplek van het Vlaamse cultuursnobisme, geëtaleerd in een bekakte toon die niet van deze planeet lijkt. 

De bubbel van intellectuelen en journalisten, met o.m. de cultuurzender Klara als geliefde ontmoetingsplek, zorgt voor een permanente barrière tussen wetenden en onwetenden, ook al beweren ze het omgekeerde. Radio Klara is dé cultplek van het Vlaamse cultuursnobisme, geëtaleerd in een bekakte toon die niet van deze planeet lijkt. Gewone mensen kunnen mits opvoeding ook wel zover komen, maar er is werk aan: heel de post-’68 dynamiek van de verlichte, hippe culturo is gebaseerd op een onderscheid tussen de intellectueel/meerwaardezoeker en de domme lezer van HLN. De eerste inspireert, verlicht, de tweede moet zwijgend accepteren, zijn ondeskundigheid erkennen, eventueel aansluitend wegzappen naar VTM. Het is in zo’n klimaat dat gemeenschapstoelagen voor kunst en cultuur in vraag worden gesteld. Terecht denk ik.

Cultuur en weldenkend-links

Hillaert

DS-cultuurjournalist Wouter Hillaert, oprichter van Hart boven Hard

Mei ’68 en zijn nasleep, dat brengt ons op het tweede facet van de Vlaamse cultuurbubbel: het feit dat de sector zich voor het overgrote deel een weldenkend-linkse mantra aanmeet waarmee ze zichzelf herleidt tot een niveau van propagandacultuur. Overigens steevast Belgicistisch, regimevriendelijk en zelfs pro monarchie. Cultuur dient onder meer ook om de fout-stemmende Vlaming tot betere inzichten te brengen.

Grensverleggend in dat opzicht was het initiatief in 2014 van DS-cultuurjournalist Wouter Hillaert en Hugo Franssen, toenmalige baas van de extreem-linkse uitgeverij EPO, om Hart boven hard op te richten, een beweging die vooral door de vakbonden en 11 11 11 werd gedragen en waarin de cultuurwereld werd opgeroepen om de gehele rechterzijde te discrediteren als asociaal, cultuurvijandig en anti-democratisch. Met het cultuurmagazine Rekto-Verso als voornaamste vehikel.

Vooral aan de universiteiten werd de pensée unique, en de evenredige uitsluiting van andere meningen, een vast gegeven

Natuurlijk is politieke oppositie legitiem, er mag en moet dissidentie zijn. Maar dat activisme van de cultuursector leidde tot rare neveneffecten: een lezing van Theo Francken aan de Gentse universiteit diende in 2017 geannuleerd wegend protest van linkse actievoerders die bij Hart boven hard aanleunen. Verstoringen van zogenaamd rechtse sprekers werden schering en inslag. Vooral aan de universiteiten werd de pensée unique, en de evenredige uitsluiting van andere meningen, een vast gegeven. De fameuze geur van rotte eieren die vandaag in de gebouwen van de Gentse universiteit aan de Blandijnberg hangt, komt van een stinkbom die werd gedeponeerd om een debatavond, georganiseerd door de Nationalistische StudentenVereniging, te beletten. Iedereen aan de unief weet dat, maar de media houden zich aan de officiële versie, verspreid door het rectoraat zelf: oorzaak onbekend, de rest is complottheorie. 

Ondertussen in het Cultureel Centrum

Maar terug naar het cultuurbedrijf en de bijzondere opvattingen over pluralisme in de sector. Ik spreek even uit eigen ervaring. Van de zestig lezingen die ik vorig en dit jaar gegeven heb, over mei ‘68 en over de Vlaamse media, was er welgeteld één georganiseerd door een officieel cultureel centrum, zoals er in bijna elk Vlaams gehucht een staat. Dat zijn nochtans de plekken bij uitstek waar auteurs, filosofen etc aan bod kunnen komen om dankzij uw belastinggeld iets te komen verkondigen dat het beluisteren waard is, buiten het netwerk van Bart Schols en Phara om.

Sprekers die de mainstraim media kritisch belichten, of het cultureel establishment in vraag stellen, worden als ‘(extreem-)rechts’ beschouwd en dus niet-programmeerbaar

Warande

De verantwoordelijke van dat ene cultureel centrum wist me te vertellen dat ze me absoluut wou vragen in plaats van nog maar eens stoffige zekerheden als auteur Chris De Stoop uit te nodigen, niettegenstaande men haar had verwittigd dat ze er ‘grote problemen’ mee kon krijgen. De Vlaamse administratie, verantwoordelijk voor de werking van onze lokale cultuurhuizen, geeft dus blijkbaar niet mis te verstane wenken: sprekers die de mainstraim media kritisch belichten, of het cultureel establishment in vraag stellen, worden als ‘(extreem-)rechts’ beschouwd en dus niet-programmeerbaar, dit nota bene op een door de Vlaamse gemeenschap bekostigd forum.

Deze ideologisch-paternalistische tunnelvisie is de tweede reden waarom het publieke draagvlak voor cultuur afkalft, na de eerder genoemde masturbatie-industrie à la Fabre. Eigenlijk stelt zich de vraag of wij wel een cultuurministerie nodig hebben, en of kunstenaars en kunsthuizen niet moeten leren hun eigen boontjes te doppen, door middel van crowd funding en andere fondsverwervers. Zoals de Vlaamse publieke omroep en heel het medialandschap, is de cultuursector toe aan een paar grondige existentiële vragen over bestaansredenen, wat doet ze, voor wie, met welk oogmerk.

Zomaar wat voortmodderen, al dan niet met een paar duizendjes minder, is niet meer aan de orde. Het gaat hier om instellingen uit de 20ste eeuw, die hun tijd overleven dankzij een overheidsinfuus, en dat is het absolute tegendeel van wat cultuur volgens mij zou moeten  zijn: origineel, tegendraads, beklijvend maar ook verleidend en zelfwerkzaam, niet parasiterend op het establishment.

Misschien leidt minder wel tot meer, en kan een grondige snoeibeurt nieuw groen van onderuit laten ontluiken.

Vindt u deze column interessant, leerrijk, controversieel, of hebt u tenminste eens goed kunnen lachen? Dan is een donatie, hoe bescheiden ook, misschien een goed idee. johan.sanctorum@pandora.behttp://www.visionair-belgie.be